UITHUISPLAATSING EN HET OUDERLIJK GEZAG

PERSONEN- EN FAMILIERECHT

De minderjarige wordt al bijna een jaar door de man verzorgd en opgevoed. De vrouw was tot haar vertrek de hoofdopvoeder en meest stabiele factor voor de minderjarige. De man heeft zonder goede reden het contact tussen de vrouw en de minderjarige beperkt gehouden tot één uur per week en feitelijk nog verder ingeperkt door zijn gedrag tijdens de bezoekmomenten. Het hoofdverblijf van de minderjarige wordt daarom bij de vrouw bepaald. De rechtbank beslist verder tot gezamenlijk ouderlijk gezag en ondertoezichtstelling van de minderjarige met tijdelijke uithuisplaatsing bij de man, zodat de overgang van de minderjarige naar de vrouw goed kan worden begeleid.

De hoofdverblijfplaats en het gezag

De man verzoekt primair te bepalen dat het gezag over de minderjarige alleen aan hem toekomt. Subsidiair verzoekt hij te bepalen samen met de vrouw te worden belast met het gezag over de minderjarige.

Verder verzoekt de man te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem zal zijn.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij bepleit afwijzing van de verzoeken van de man.

De vrouw verzoekt haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de minderjarige en te bepalen dat de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft.

Ingevolge artikel 8, lid 1, van de Verordening nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en in zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Brussel II-bis) is, in zaken die betrekking hebben op de ouderlijke verantwoordelijkheid, de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, bevoegd.

Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is, nu de Nederlandse rechter bevoegd is, het Nederlandse recht van toepassing.

Hoewel de man benadrukt het contact tussen de minderjarige en zijn moeder belangrijk te vinden, wijst zijn gedrag daar niet op. De man verlangt excuses van de vrouw, herroept dit, maar komt hier vervolgens weer op terug. Door deze houding van de man is het in een jaar tijd, ondanks de positieve ontwikkelingen in het leven van de vrouw, niet gekomen tot enige uitbreiding van het contact tussen de minderjarige en zijn moeder. Dit ondanks het feit dat hulpverleners deze uitbreiding in het belang van de minderjarige achtten.

De man stelt dat de vrouw destijds heeft gezegd dat zij zelfmoord wil plegen en de minderjarige iets wil aandoen. De vrouw betwist deze uitingen te hebben gedaan en stelt dat de man haar uitingen op 27 oktober 2017 tegenover het CIT opzettelijk verkeerd heeft vertaald. Hoe dan ook dateren deze uitlatingen, indien gedaan, van meer dan een jaar geleden terwijl de vrouw al lange tijd contact heeft met hulpverlening, inmiddels een eigen woning heeft, Nederlandse taallessen volgt en een sociaal netwerk heeft opgebouwd waaronder het contact met een taalmaatje. De rechtbank is van oordeel dat er op dit moment geen aanwijzingen zijn dat de vrouw mentaal instabiel zou zijn en een gevaar voor zichzelf en de minderjarige zou zijn. Ook zijn er geen ernstige zorgen over de opvoedvaardigheden van de vrouw.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank met de raad van oordeel dat het het meest in het belang van de minderjarige is dat hij zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft, omdat de vrouw tot haar vertrek de hoofdopvoeder en de meest stabiele factor voor de minderjarige is geweest. Voorts weegt voor de rechtbank zwaar mee dat de man al lange tijd zonder reden het contact tussen de minderjarige en zijn moeder beperkt houdt tot één uur per twee weken en feitelijk verder inperkt door zijn gedrag tijdens de bezoekmomenten. Dit gedrag is door mevrouw [naam vertegenwoordigster 3] waargenomen en wordt door de vrouw ter zitting bevestigd. Dit betekent dat er grote zorgen zijn dat de minderjarige in een loyaliteitsconflict komt omdat hij telkens de spanningen en het grote wantrouwen tussen zijn ouders voelt. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw over de hoofdverblijfplaats daarom toe en het verzoek van de man wordt op dit punt afgewezen.

Het gezag

De man legt - kort gezegd - aan zijn verzoek ten grondslag dat hij de vrouw niet in staat acht samen met hem het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit te oefenen. De man acht het in het belang van de minderjarige dat hij alleen het gezag over hem uitoefent.

In het geval de rechtbank anders beslist, kan de man zich vinden in het advies van de raad om het gezamenlijk gezag tussen ouders te bepalen..

De vrouw legt - kort gezegd - aan haar verzoek te grondslag dat zij voordat zij Nederland is gekomen alleen voor haar zoon heeft gezorgd. De vrouw stelt dat het van groot belang is dat zij alleen met het gezag over de minderjarige belast blijft. Zij heeft al ruim een jaar zeer beperkt contact kunnen hebben met de minderjarige doordat de man hieraan niet wilde meewerken. De vrouw wil de man overal bij betrekken maar is van mening dat gezamenlijk gezag met hem onmogelijk is.

De raad adviseert het verzoek van de man om hem mede met het ouderlijk gezag over de minderjarige te belasten, toe te wijzen. De man is momenteel de hoofdopvoeder van de minderjarige en regelt alle zaken die nodig zijn voor hem. Hoewel er sprake is van veel wantrouwen tussen ouders en de communicatie tussen hen niet goed verloopt, zijn dit punten waaraan gewerkt kan worden ten behoeve van de minderjarige in het kader van een ondertoezichtstelling.

Nu partijen niet zijn gehuwd en zij noch in Soedan noch in Nederland hebben geregeld dat de man op andere wijze mede het gezag over de minderjarige kreeg, gaat de rechtbank er – met beide partijen – van uit dat de vrouw thans alleen het gezag over de minderjarige uitoefent. Het verzoek van de vrouw om met het eenhoofdig gezag te worden belast dient daarom bij gebrek aan belang te worden afgewezen.

Ingevolge artikel 1:253c, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten.

Indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen indien (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Wanneer de andere ouder het gezag over het kind uitoefent, wordt het verzoek om de tot het gezag bevoegde ouder, bedoeld in het eerste lid, alleen met het gezag te belasten slechts ingewilligd, indien de rechtbank dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.

Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen over de minderjarige. De rechtbank is met de raad van oordeel dat de man mede met het ouderlijk gezag over de minderjarige dient te worden belast. Immers, afgezien van de opstelling van de man ten aanzien van het contact tussen de minderjarige en zijn moeder, zorgt de man goed voor de minderjarige en hij regelt alle praktische zaken voor zijn zoon. Tussen ouders is echter veel strijd, het onderling wantrouwen is groot en zij communiceren niet met elkaar. Dit zijn punten waaraan partijen in het belang van de minderjarige moeten gaan werken. Partijen hebben zich ter zitting bereid verklaard een mediationtraject in te gaan om hun communicatie en onderlinge verstandhouding te verbeteren. Ook in het kader van een (mogelijke) ondertoezichtstelling zal hier aan gewerkt worden. Gelet hierop wordt het verzoek van de man over het eenhoofdig gezag afgewezen en het subsidiaire verzoek van de man betreffende het gezamenlijk gezag toegewezen.

De ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing

De raad heeft de ondertoezichtstelling van de minderjarige verzocht voor de duur van twaalf maanden. Tevens wordt de uithuisplaatsing verzocht van de minderjarige voor de duur van drie maanden bij de man.

De raad legt aan haar verzoek ten grondslag dat sprake is van een zodanige ernstige bedreigde ontwikkeling van de minderjarige dat een kinderbeschermingsmaatregel in de vorm van een ondertoezichtstelling nodig is. De bedreiging bestaat voornamelijk uit de problematische ouder- en ex-partnerrelatie, waar de minderjarige mee te maken heeft. De spanningsvolle situatie en het grote wantrouwen tussen ouders zal steeds meer voelbaar worden voor de minderjarige. Het gaat om een jong kind dat al veel veranderingen heeft meegemaakt in zijn leven. Zijn moeder, de hoofdopvoeder die altijd de meest stabiele factor was, is op advies van het wijkteam uit het gezin vertrokken. Hij uit zijn emoties hierover niet en dat is zorgelijk. Daarnaast zijn ouders nog niet in staat om constructief overleg te gaan voeren over de omgang en andere zaken aangaande de minderjarige. De raad acht professionele begeleiding en hulpverlening binnen een dwangkader noodzakelijk om de bedreiging in de ontwikkeling en opvoedsituatie van de minderjarige weg te nemen. Hulpverlening in het vrijwillige kader gaat niet van de grond komen omdat ouders door de spanningsvolle relatie en het wantrouwen jegens elkaar onvoldoende in staat zijn zelfstandig en met elkaar de noodzakelijke hulpverlening te accepteren. In het geval de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn, dient er langzaam maar wel binnen een termijn van drie maanden in het kader van de ondertoezichtstelling toegewerkt te worden naar plaatsing van de minderjarige bij de vrouw. De zorgmomenten dienen daartoe uitgebreid te worden zodat de minderjarige bij zijn moeder thuis weer kan wennen. Zodra de rechtbank een beslissing neemt over de hoofdverblijfplaats vervalt de voorlopige beslissing van de rechter om de minderjarige bij de man te laten. De raad verzoekt daarom een machtiging uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden af te geven.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. De vrouw acht een ondertoezichtstelling niet noodzakelijk maar als dit in het belang van de minderjarige is, staat zij daarvoor open alsmede voor alle begeleiding die zal bijdragen aan de verbetering van zijn situatie. In het geval de rechtbank aansluit bij de door de raad geadviseerde drie maandentermijn voor de terugkeer van de minderjarige naar haar, verzoekt de vrouw de omgang tussen haar en de minderjarige uit te breiden naar 10 uur per week. Op die manier kan hij wennen aan de komende veranderingen zodat hij sneller dan de voorgestelde drie maanden kan terugkeren naar de vrouw.

De man voert gemotiveerd verweer. De man kan zich absoluut niet vinden in het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel zoals door de raad is verzocht. Het gaat goed met de minderjarige en de man staat open voor hulpverlening in het vrijwillige kader. Ook staat hij open voor verbetering van de contacten tussen de minderjarige en zijn moeder. Het wijzigen van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige is voor de man onbegrijpelijk en strijdig met het belang van de minderjarige zelf.

De GI heeft zich ter zitting te kennen gegeven het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing alsmede de terugkeer van de minderjarige naar zijn moeder te ondersteunen. Het wijkteam staat klaar voor de uitvoering van het terugkeerprogramma van de minderjarige binnen drie maanden naar zijn moeder en voor verdere opvoedondersteuning van de vrouw. Het is noodzakelijk dat de terugkeer van de minderjarige naar de vrouw in het kader van de ondertoezichtstelling plaatsvindt. Daarnaast is het belangrijk dat er een zorgregeling komt tussen de man en de minderjarige.

Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door deze niet of voldoende wordt geaccepteerd, en de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.

Op grond van artikel 1:265b BW kan de kinderrechter op verzoek van de raad voor de kinderbescherming de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

De rechtbank volgt de raad in zijn advies dat sprake is van een zodanige ernstige bedreigde ontwikkeling van de minderjarige dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige vloeit voornamelijk voort de spanningen tussen ouders en het grote wantrouwen tussen ouders hetgeen voor de minderjarige steeds meer voelbaar wordt waardoor hij in een loyaliteitsconflict kan komen. De minderjarige heeft in zijn jonge leven al heel wat meegemaakt zoals het vertrek van zijn moeder, de hoofdopvoeder die altijd de meest stabiele factor voor hem was. Het is ook zorgelijk dat de minderjarige zijn emoties over het vertrek van zijn moeder niet uit. De ouders zijn niet in staat om constructief met elkaar te overleggen over de omgang en andere zaken betreffende de minderjarige. De rechtbank is met de raad van oordeel dat professionele begeleiding en hulpverlening binnen een dwangkader noodzakelijk is om de bedreiging in de ontwikkeling en opvoedsituatie van de minderjarige weg te nemen.

De rechtbank is van oordeel dat er geleidelijk maar wel binnen een uiterlijke termijn van drie maanden in het kader van de ondertoezichtstelling toegewerkt moet worden naar terugplaatsing van de minderjarige bij de vrouw. De omgangsmomenten dienen daartoe uitgebreid te worden zodat de minderjarige bij zijn moeder thuis weer kan wennen. Voor de periode van drie maanden waarbij toegewerkt wordt naar de thuisplaatsing van de minderjarige bij de vrouw, is het in het belang van de minderjarige noodzakelijk dat hij voor die periode voorlopig uit huis wordt geplaatst bij de man. Immers door de beslissing van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats vervalt de beslissing van de voorzieningenrechter betreffende de voorlopige toevertrouwing van de minderjarige aan de man te laten.

Op dit moment zijn de bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige waaraan in ieder geval gewerkt moet worden:

een spoedige terugkeer van de minderjarige bij zijn moeder binnen een uiterlijke termijn van drie maanden waarbij de zorg- en contactmomenten tussen de minderjarige en de vrouw geleidelijk worden uitgebreid;

de verbetering van de communicatie en onderlinge verstandhouding tussen ouders naast het mediationtraject dat zij gaan volgen;

meer zicht krijgen op de opvoedingsvaardigheden van beide ouders;

het opbouwen en tot stand brengen van een zorgregeling tussen de minderjarige en zijn vader.

De kinderrechter zal daarom de minderjarige onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden.

Ook is de kinderrechter van oordeel dat de (voorlopige) uithuisplaatsing van de minderjarige noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b BW.

De beslissing

De rechtbank:

belast de man en de vrouw met het gezamenlijk gezag over de minderjarige:

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn;

stelt de minderjarige onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming; 

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de man;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;