KINDERALIMENTATIE

PROBLEMATISCHE SCHULDEN

De feiten

Het huwelijk van de man en de vrouw is [in] 2018 ontbonden door echtscheiding.

De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2014, over wie de man en de vrouw gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige1] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.

Uit de relatie van de man en [E] (hierna: [E] ) is [in]

2018 een zoon geboren, [de minderjarige2] genaamd.

De omvang van het geschil

Bij de bestreden beschikking van 18 juli 2018 is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] (hierna: de kinderalimentatie) met ingang van 29 mei 2017 bepaald op € 272,- per maand en met ingang van 22 januari 2018 op € 288,- per maand. Daarnaast is de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna: partneralimentatie) met ingang van 28 maart 2018 bepaald op € 569,- bruto per maand.

De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 juli 2018. De grieven zien op de kinderalimentatie en de partneralimentatie. Meer in het bijzonder op de behoefte van [de minderjarige1] en de behoefte van de vrouw, de draagkracht van de vrouw en de draagkracht van de man. De man verzoekt de beschikking van 18 juli 2018 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de door hem te betalen kinderalimentatie op een bedrag ad € 204,- per maand per 29 mei 2017 te stellen en de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie op nihil, althans een bedrag in goede justitie te bepalen.

De vrouw voert verweer en verzoekt de verzoeken van de man in beroep af te wijzen, dan wel de man in zijn beroep niet ontvankelijk te verklaren, dan wel hem dit beroep te ontzeggen, dan wel zijn beroep af te wijzen en de beschikking te bekrachtigen.

Nadat de bestreden beschikking is gegeven zijn de financiële omstandigheden gewijzigd. Bij afzonderlijke beschikkingen van 27 februari 2019 is wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden een bewind ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan de man en [E] . Daarbij is [B] Bewind tot bewindvoerder benoemd. De bewindvoerder heeft ter zitting verklaard de procedure van de man over te nemen. Tevens heeft de bewindvoerder het verzoek gewijzigd in die zin dat nihilstelling van de kinder- en partneralimentatie wordt verzocht met ingang van 29 mei 2017.

De motivering van de beslissing

Kinderalimentatie

Ingangsdatum

De bij de bestreden beschikking gehanteerde ingangsdatum van 29 mei 2017 is niet in geschil en staat daarmee vast.

Behoefte [de minderjarige1]

De behoefte van [de minderjarige1] staat niet langer ter discussie. Ter zitting zijn de man en de vrouw het erover eens geworden dat de behoefte van [de minderjarige1] in 2016 € 228,- per maand bedroeg.

Draagkracht man

De draagkracht van de man tot het betalen van de door de vrouw verzochte kinderalimentatie is tussen partijen in geschil.

Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat de man in de loop der jaren een enorme schuldenlast heeft opgebouwd. Om die reden is per 27 februari 2019 ten aanzien van hem ook een beschermingsbewind van kracht. Volgens opgave van de bewindvoerder ter zitting bedragen de tot nu toe bekende schulden van de man (en zijn partner) in totaal al € 120.000,-. De man, [E] en baby [de minderjarige2] zijn onlangs zelfs hun huis uitgezet wegens het niet meer betalen van de huur. Jeugdzorg heeft de borg voor de nieuwe woning voorgeschoten, hetgeen ook gelijk weer een nieuwe schuld oplevert. De man en zijn gezin krijgen van de bewindvoerder € 80,- per week aan leefgeld. Het tekort wordt aangevuld door de Voedselbank. Kortom, de financiële situatie van de man is ronduit zorgelijk.

De bewindvoerder heeft ter zitting nadrukkelijk aangegeven dat het budgetplan zelfs geen ruimte laat voor een minimale bijdrage van € 25,- per maand. Bij deze stand van zaken ziet het hof, zoals ook ter zitting reeds besproken, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen reële mogelijkheden om ten laste van de man enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] te bepalen. De kinderalimentatie wordt daarom met ingang van 29 mei 2017 op nihil gesteld.

Partneralimentatie

Ingangsdatum

De bij de bestreden beschikking gehanteerde ingangsdatum van 28 maart 2018 is niet in geschil en staat daarmee vast.

Einde onderhoudsplicht (1:160 BW)

Niet in geschil is dat de vrouw sinds 11 februari 2019 samenwoont met een nieuwe partner en dat zij per die datum geen aanspraak meer kan maken op partneralimentatie.

Behoefte van de vrouw en draagkracht van de man

Wat er ook zij van de behoefte van de vrouw, om dezelfde redenen als hiervoor bij de kinderalimentatie genoemd is de man wegens gebrek aan draagkracht niet in staat om met ingang van 28 maart 2018 enige bijdrage te leveren in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

Terugwerkende kracht

Partijen zijn het erover eens dat, voor zover de man vanaf 29 mei 2017 respectievelijk 28 maart 2018 tot heden enige bijdrage heeft betaald en/of op hem is verhaald van de vrouw in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt. Het hof zal overeenkomstig beslissen.

De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank van 18 juli 2018, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , geboren [in] 2014, af;

wijst het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud af;

verstaat dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw per 11 februari 2019 is geëindigd;

wijst het meer of anders verzochte af.

 

 

 

 

3702405_1_org 3702405_1_org