AANSPRAKELIJKHEID VERKEER

ONDUIDELIJKHEID TOEDRACHT - VERZEKERAAR SLAAGT IN BEWIJS: ONWARE SCHADEAANGIFTE TER ZAKE VAN AANRIJDING

De beoordeling van het hoger beroep

De grieven van Reaal lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij houden onder meer in dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat Reaal niet is geslaagd in het bewijs dat bij het claimen van de schade door [geïntimeerde] sprake is geweest van een onware of onvolledige schadeopgave. Ten aanzien hiervan oordeelt het hof als volgt.

 

Er zijn geen grieven of anderszins bezwaren gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de stelplicht en de bewijslast van de onware opgave - als voormeld - op Reaal rust. Het hof kan zich bovendien met dat oordeel verenigen en maakt het tot het zijne. Het hof is echter - anders dan de kantonrechter – van oordeel dat de door Reaal gestelde onware opgave in rechte wel vast is komen te staan. Daartoe is het volgende redengevend.

 

Vooropgesteld wordt dat de kantonrechter onbetwist heeft vastgesteld dat het na afloop van de (beweerde) aanrijding een schadeaangifteformulier (het SAF) is opgemaakt, dat zowel door [geïntimeerde] als door de andere bestuurder [betrokkene 1] is ondertekend, en dat daarin door [geïntimeerde] is vermeld dat als gevolg van die aanrijding aan zijn Mercedes schade was ontstaan aan de rechterzijde én aan de linker voorzijde.

 

Reaal heeft opdracht gegeven aan [VOA] tot het verrichten van een technisch onderzoek naar de beweerde aanrijding. Dit onderzoek betreft een ongevallenanalyse. In zijn eerste rapport (van 12 maart 2014, prod. 4 bij ID) komt [VOA] tot de conclusie dat de door [geïntimeerde] opgegeven lantaarnpaal, die zich bevindt op een middenberm/vluchtheuvel op de Binckhorstlaan in Den Haag (die zichtbaar is op de foto’s bij dat rapport (op p. 4 en in Bijlage B), géén beschadigingen en/of sporen van een contact met een voertuig vertoonde. Ook heeft [VOA] in dat rapport op grond van de resultaten van een computersimulatie (programma PC-Crash), geconcludeerd dat de Mercedes onder de in het schadeaangifteformulier gemelde snelheden en omstandigheden met de linkervoorzijde niet in botscontact komt met de door [geïntimeerde] bedoelde lantaarnpaal. In zijn aanvullende rapportage van 21 april 2016 heeft [VOA] daar nog aan toegevoegd dat deze lantaarnpaal niet is vervangen in de periode tussen de beweerde aanrijding en het onderzoek van [VOA]. [geïntimeerde] heeft dit laatste niet (gemotiveerd) weersproken, zodat ervan uit moet worden gegaan dat de deskundige van [VOA] inderdaad de oorspronkelijke lantaarnpaal (als door [geïntimeerde] bedoeld) heeft onderzocht.

In het rapport van 21 april 2016 is voorts vermeld dat op de foto’s van de Mercedes (p. 3) te zien is dat het koplampglas is gebroken en dat de kopse kant van de motorkap is opgedrukt. Bij het opdrukken van deze kopse kant van de motorkap zijn vegen en mogelijk ook krassen bij de lantaarnpaal te verwachten, terwijl bij deze lantaarnpaal geen krasschade is gezien, aldus [VOA].

 

In het in appel overgelegde nader rapport van [VOA] ( [ ... ] ) van 28 maart 2017 is aan de hand van uitgevoerde botsproeven van een soortgelijke Mercedes met een (deel van een) soortgelijke lantaarnpaal, nog het volgende vermeld.

”A. Conclusies:
1. Op grond van de uitgevoerde botsproeven concludeer ik het volgende:

a. Indien de in kwestie betrokken Mercedes met de linker voorzijde tegen de lantaarnpaal 109 op deze Binckhorstlaan was gebotst én daarbij de gepresenteerde schade aan de linker voorzijde van deze Mercedes (met vernield glas in de koplamp) was ontstaan dan kan het naar mijn overtuiging niet anders dan dat daarbij blijvende krasschade in de verflaag van deze lantaarnpaal was ontstaan. De kans is ook groot, dat tijdens zo’n botsing lakoverdracht op de lantaarnpaal heeft plaatsgevonden c.q. vegen op de lantaarnpaal zijn achtergebleven.
b. Zoals in de eerdere rapportage(s) al vermeld, de schade aan de linker voorzijde van de Mercedes kan zijn ontstaan tijdens een botsing met ‘een paal’. Uit de proeven volgt dat de botssnelheid van de Mercedes dan niet hoger zal zijn geweest dan ± 9 á 10 km/h.

2. Op grond van de uitgevoerde simulaties met de botssnelheden als variabelen concludeer ik het volgende:
a. In alle gevallen (scenario’s) ondergaat de Mercedes, na het botscontact met de Fiat, in meer of mindere mate een rotatie om zijn hoogte-as. Daarbij draait de Mercedes in de richting van de wijzers van de klok mee; dat is met de achterzijde naar links. De voorzijde (met de schade bij de linker koplamp), draait in al deze gevallen van de lantaarnpaal weg. De linker voorzijde (koplamp) van de Mercedes komt ook bij deze scenario’s helemaal niet in de buurt van de lantaarnpaal 109.
b. De van de lantaarnpaal wegdraaiende voorzijde van de Mercedes heeft ter hoogte van deze lantaarnpaal nog een snelheid van zo’n 25 á 54 km/h (afhankelijk van welk scenario wordt aangehouden). Deze snelheden passen helemaal niet bij de schade aan de linkervoorzijde van de betrokken Mercedes. De botsproeven hebben immers uitgewezen, dat zo’n schade ontstaat bij een botssnelheid van om en nabij de 9 á 10 km/h.

3. Dit aanvullend onderzoek (de botsproeven) en de uitgevoerde simulaties bevestigen en sterken mij in hetgeen in de eerdere rapporten van [VOA] werd gerelateerd. Ik persisteer dan ook bij de inhoud van deze rapporten. (…)”

 

Met de deskundige van [VOA] is het hof, mede gelet op ervaringsregels, van oordeel dat het bij een botsing van de Mercedes met de lantaarnpaal te verwachten zou zijn geweest dat er op die paal contactsporen op de lantaarnpaal aanwezig waren, zoals lakoverdracht, vegen en/of krassen. [geïntimeerde] heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. De enkele stelling dat het glas van de koplamp “mogelijk” niet direct de paal heeft geraakt (maar alleen de voorbumper), is daartoe onvoldoende. Er zijn immers ook geen vegen (zoals van een bumper) of andere contactsporen (zoals laksporen van de auto) op de paal aangetroffen. Dat het glas niet naar buiten (in de richting van de lichtmast) is gesprongen, maar alleen naar binnen (in de koplamp) acht het hof al niet aannemelijk, omdat op de foto’s te zien is dat het gebroken glas van de koplamp voor een deel nog op zijn plaats is gebleven is en dus niet volledig in de koplamp is gedrukt (zie foto’s 26-32, rapport [VOA] van 12 maart 2014).

 

Daarnaast ziet het hof ook voor het overige geen reden te twijfelen aan het gemotiveerde oordeel van de deskundige van [VOA], op basis van meerdere computersimulaties en botsproeven, dat het niet mogelijk is dat de Mercedes met de linker voorzijde tegen deze lantaarnpaal is gebotst (onder de in het SAF gemelde omstandigheden en snelheden). Het hof acht de botsproeven voldoende representatief nu deze zijn uitgevoerd met een soortgelijke Mercedes en met een (deel van een) soortgelijke lantaarnpaal.

 

[geïntimeerde] heeft zijn betwisting, die inhoudt dat de bij de botsproeven gebruikte paal niet eenzelfde paal is als lantaarnpaal 109 op de Binckhorstlaan , onvoldoende onderbouwd. De deskundige heeft genoegzaam toegelicht dat bij de botsproeven een lantaarnpaal is gebruikt die afkomstig is van dezelfde leverancier als die van de bewuste lantaarnpaal 109 op de Binckhorstlaan , en dat de leverancier ervoor heeft gezorgd dat de geleverde lantaarnpaal dezelfde kenmerken heeft als lantaarnpaal 109 (qua vorm, materiaal, kleur, coating, thermische verzinking, aanwezigheid van een deurtje). Het hof heeft, mede op grond van een vergelijking van de overgelegde foto’s van de desbetreffende lantaarnpaal en van lantaarnpaal 109 geen enkele reden hieraan te twijfelen. Bovendien heeft de deskundige toegelicht dat het om exact dezelfde lantaarnpaal gaat, met dien verstande dat de voor de botsproef gebruikte paal slechts twee meter hoog was. Dat is naar het oordeel van de deskundige echter genoeg voor de botsproeven, gezien de plek waar de Mercedes de paal raakt. [geïntimeerde] heeft dit laatste evenmin (voldoende gemotiveerd) bestreden, zodat niet valt in te zien waarom bij de botsproeven een volledige paal had moeten worden gebruikt. Evenmin valt (zonder enige nadere toelichting) niet in te zien dat - en waarom - in het kader van de botsproeven de gebruikte methode en diepte van de verankering in de grond, de bodemsamenstelling en/of de zwaarte van het beton ontoereikend zouden zijn geweest. Bij dit alles ziet het hof ook geen aanleiding voor verschaffing van een nota of verklaring van de leverancier. De deskundige heeft in zijn rapport zowel de leverancier als het type mast genoemd, en daarbij in detail de kenmerken van de gebruikte mast opgesomd, welke specifieke kenmerken – onvoldoende gemotiveerd weersproken - overeenkomen met die van lantaarnpaal 109 (zie de opsomming op p. 3, laatste alinea, onderaan).

 

[geïntimeerde] heeft voorts nog gesteld dat de Mercedes - na de beweerde aanrijding met de Fiat - de paal rondom de linker voorhoek van de auto raakte, dus deels zijwaarts, en dat zijwaartse kracht een heel ander schadebeeld geeft dan voorwaartse kracht. Ook deze stelling gaat niet op. Het schadebeeld aan de Mercedes van [geïntimeerde] en dat aan de Mercedes gebruikt bij de (tweede) botsproef komen immers bijna exact overeen, zoals de deskundige genoegzaam heeft toegelicht en met foto’s heeft geïllustreerd in zijn laatste rapport (op p. 8). Er bestaat dan ook geen gegronde reden om aan te nemen dat de omstandigheden van de botsproef in relevante mate zouden afwijken van die van de beweerde botsing met lantaarnpaal nr. 109. Dat geen rekening zou zijn gehouden met “natuurlijke reflexen” van de chauffeurs kan hieraan niet afdoen, nu niet is toegelicht dat dergelijke reflexen de draairichting van de Mercedes na de beweerde aanrijding met de Fiat, gegeven de in het SAF opgegeven snelheden van de beide auto’s, nog in relevante mate zouden kunnen beïnvloeden. [geïntimeerde] heeft ook niet gesteld dat hij sterke stuurbewegingen heeft gemaakt; hij stelt juist dat het allemaal heel snel ging. De stelling dat met een (eventuele) botssnelheid van 9 km/uur geen contactsporen aan de lantaarnpaal kunnen ontstaan is evenmin onderbouwd (of aannemelijk, mede gezien de door de deskundige uitgevoerde test), nog daargelaten dat [geïntimeerde] zelf heeft opgegeven in het SAF dat de Mercedes met een (veel) hogere snelheid reed.

 

Vast staat dat de deskundige van [VOA] de lantaarnpaal 109 zelf heeft geïnspecteerd ter plaatse van de desbetreffende vluchtheuvel aan de Binckhorstlaan . Hij heeft aldaar geen contactsporen van een auto (de Mercedes) aangetroffen. Het hof heeft geen aanleiding aan zijn waarnemingen (en/of aan zijn deskundigheid in verband met het uitvoeren van die inspectie) te twijfelen. Ook op de overgelegde foto’s zijn bovendien geen contactsporen op de paal zichtbaar. De stelling dat slechts de toepassing van de zogeheten “plakbandmethode” kan worden gebruikt om vast te stellen (of om uit te sluiten) dat er verf- of andere resten van een auto (de Mercedes van [geïntimeerde] ) op lantaarnpaal 109 aanwezig waren, is door [geïntimeerde] op geen enkele manier (bijvoorbeeld door een verklaring van een eigen deskundige) onderbouwd en is ook overigens niet aannemelijk. Ditzelfde geldt voor de (niet geadstrueerde) stelling dat lantaarnpaal 109 van dermate sterk materiaal zou zijn vervaardigd dat daarop geen krassen kunnen ontstaan bij de beweerde (uitloop)botsing. Het hof gaat ook daaraan voorbij.

 

Ook verwerpt het hof de (enkele) stelling van [geïntimeerde] dat de computersimulaties (met behulp van het programma PC-Crash) niet overtuigend zouden zijn, omdat er geschatte snelheden van de auto zijn gebruikt. De deskundige van [VOA] heeft in zijn laatste rapport vermeld dat bij de uitloopsimulaties is uitgegaan van - niet minder dan - 16 verschillende scenario’s en (dienovereenkomstige) simulaties, en dat de Mercedes in alle gevallen een rotatie om zijn hoogte-as maakt, waarbij de voorzijde in alle gevallen van de lantaarnpaal weg draait, en waarbij de linker voorzijde van de Mercedes (koplamp) helemaal niet in de buurt komt van de lantaarnpaal 109. De bij deze scenario’s ingevoerde snelheden variëren (onbetwist) tussen 10 km/u langzamer tot 10 km/u sneller dan door de bestuurders opgegeven. De botssnelheid van de Fiat varieerde dus van 15 tot 35 km/u en de snelheid van de Mercedes varieerde van 40 tot 60 km/u. Het hof ziet niet in dat deze ruime marges in snelheden onvoldoende zouden zijn om rekening te houden met eventuele inschattingsfouten van de bestuurders en om de conclusies van het onderzoek (als hiervoor in rov. 17 geciteerd) te dragen.

 

Uit de resultaten van het door [VOA] verrichte technisch onderzoek valt in voldoende mate af te leiden dat de geclaimde schade aan de linker voorzijde van de Mercedes niet kan zijn veroorzaakt op de wijze als vermeld in het schadeaangifteformulier, in die zin dat deze schade niet kan zijn ontstaan door een uitloopbotsing tegen de bedoelde lantaarnpaal. De omstandigheid dat [geïntimeerde] aanzienlijk onjuist heeft verklaard over de toedracht van het ongeval, laat naar het oordeel van het hof, bij gebreke van een andere daarvoor gegeven (genoegzame) verklaring, geen andere conclusie toe dan dat hij opzettelijk onjuist heeft verklaard met het oogmerk Reaal te misleiden. Bij deze stand van zaken komt bewijsvoering op dit punt verder niet aan de orde. Het hof voegt hier overigens nog het volgende aan toe.

 

Reaal heeft naar aanleiding van de schadeclaim van [geïntimeerde] naast technisch onderzoek tevens tactisch onderzoek laten verrichten, en wel door EMN. Uit het hiervoor genoemde rapport van EMN van 8 mei 2017 blijkt dat diverse schriftelijke en ondertekende verklaringen van betrokkenen zijn afgenomen, te weten [geïntimeerde] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . Deze getuigen spreken elkaar naar het oordeel van het hof op essentiële punten tegen met betrekking tot de (beweerde) aanrijding.

 

Volgens de verklaring van [geïntimeerde] zat hij alleen in de auto toen hij de aanrijding kreeg en zat de andere man ( [betrokkene 1] , hof) ook alleen in de auto. De bestuurder van de andere auto, [betrokkene 1] , heeft echter verklaard dat bij hem in de auto twee passagiers zaten, te weten [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , van wie de telefoonnummers op de achterzijde van het schadeaangifteformulier staan. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij bij [betrokkene 1] , een vriend van hem, in de auto zat, en dat alleen [betrokkene 1] en hijzelf in de auto zaten. [betrokkene 3] heeft daarentegen verklaard dat hij ( [betrokkene 3] ) in de auto zat bij [betrokkene 1] , een vriend van hem, en dat naast [betrokkene 1] diens broertje zat, “genaamd [naam] of iets dergelijks” (dus niet een vriend van [betrokkene 1] genaamd [betrokkene 2] hof).

 

Verder heeft [geïntimeerde] verklaard dat hij niet weet of de man ( [betrokkene 1] , hof) na de aanrijding nog kon rijden met zijn auto. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij zijn auto terug heeft gereden naar de parkeerplaats vóór Brezan en dat de man ( [geïntimeerde] , hof) bij hem in de auto kwam zitten om samen het schadeformulier in te vullen. “De jongens” ( [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , hof) waren er volgens de verklaring van [betrokkene 1] toen al niet meer, zij hebben een vriend gebeld die hen heeft opgehaald. [betrokkene 1] heeft verder verklaard dat hij na het invullen van het schadeformulier een takelwagen heeft besteld, die zijn auto heeft meegenomen.

[betrokkene 2] heeft echter verklaard dat [betrokkene 1] samen met [geïntimeerde] het schadeaangifteformulier heeft ingevuld deels in de auto van [geïntimeerde] , niet in de auto van [betrokkene 1] , en dat hij ( [betrokkene 2] ) toen buiten is blijven staan. Verder heeft [betrokkene 2] verklaard dat hij samen met [betrokkene 1] met de (door [betrokkene 1] bestelde) sleepauto is meegegaan. [betrokkene 3] heeft verklaard dat zij ( [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en de genoemde [naam] ) na de aanrijding uiteindelijk weer konden vertrekken met de auto en naar huis zijn gegaan (volgens [betrokkene 3] is er dus kennelijk geen sprake geweest van een takelwagen, hof).

 

Het hof acht de hiervoor genoemde verklaringen met betrekking tot de beweerde aanrijding dusdanig tegenstrijdig dat zij geheel ongeloofwaardig zijn. Dit betekent tevens dat het hof evenmin geloof hecht aan de verklaringen van [geïntimeerde] en [betrokkene 1] dat zij elkaar niet kenden voorafgaand aan de aanrijding.

 

Anders dan de kantonrechter, ziet het hof overigens niet in waarom de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] buiten beschouwing zouden moeten blijven in deze zaak. [betrokkene 1] is blijkens het - mede door [geïntimeerde] ondertekende - SAF de andere bij de beweerde aanrijding betrokken bestuurder. [betrokkene 1] heeft met zoveel woorden verklaard dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bij hem in de auto zaten ten tijde van de aanrijding, en verder staat vast dat [betrokkene 1] op de achterzijde van het SAF de telefoonnummers van zowel [betrokkene 2] als [betrokkene 3] heeft vermeld als betrokkenen (slachtoffers) bij de aanrijding. Bovendien heeft [geïntimeerde] in de inleidende dagvaarding zelf gesteld dat hij en zijn wederpartij ( [betrokkene 1] ) “het volledig eens” waren over de toedracht. Tegen deze achtergrond bezien, zijn de getuigenverklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] wel degelijk van belang bij de beoordeling van deze zaak.

 

Ook op grond van de hiervoor bedoelde tegenstrijdigheden in de getuigenverklaringen, is het hof van oordeel dat bij het claimen van de schade door [geïntimeerde] sprake is geweest van een onware schadeopgave. [geïntimeerde] heeft de inhoud van de afgelegde getuigenverklaringen inhoudelijk niet weersproken en evenmin in hoger beroep aangegeven waarover de getuigen meer of anders zouden kunnen verklaren. Ook om deze reden komt bewijsvoering verder niet meer aan de orde.

 

Voor zover [geïntimeerde] nog meent dat het niet uitmaakt hoe de schade is veroorzaakt omdat sprake is van volledige cascodekking onder de polis, miskent hij dat de schade alleen wordt gedekt indien deze het gevolg is van een verzekerde gebeurtenis en dat het recht op uitkering bovendien geheel vervalt bij opzet tot misleiding als hiervoor bedoeld. Feiten en/of omstandigheden die een uitzondering zouden kunnen rechtvaardigen op dit rechtsgevolg (verval van dekking) doen zich hier niet voor. Een en ander geldt overigens te meer, nu vaststaat dat op 1 januari 2014 (enkele dagen voor de beweerde aanrijding) een belastingwijziging werd ingevoerd waardoor [geïntimeerde] voor zijn Mercedes een aanmerkelijk bedrag aan wegenbelasting moest gaan betalen (€ 272,- per kwartaal). Tegen die achtergrond bezien is het bepaald niet ondenkbaar dat [geïntimeerde] belang had bij het claimen van een (volledige) verzekeringsuitkering na een (grotendeels) zelf toegebrachte schade aan de Mercedes, waardoor deze vervolgens als ‘total loss’ moest worden beschouwd.

 

De slotsom is dat sprake is van opzet tot misleiding van Reaal door [geïntimeerde] , en dat ingevolge art. 7:941 lid 5 BW het recht op uitkering van [geïntimeerde] onder de polis vervalt. [geïntimeerde] heeft dus geen recht op vergoeding van de geclaimde schade onder de polis.

 

Bovendien is [geïntimeerde] door het doen van de onware schadeopgave als voormeld, toerekenbaar tekort gekomen in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst. Reaal heeft derhalve recht op schadevergoeding, bestaande uit (de helft van) de kosten van de verrichte onderzoeken. Deze kosten zijn in redelijkheid gemaakt en de hoogte daarvan acht het hof redelijk. De vordering van [geïntimeerde] tot terugbetaling van die onderzoekskosten, die door de kantonrechter reeds is afgewezen omdat was gebleken dat [geïntimeerde] dit bedrag niet had voldaan (waartegen geen grief is gericht), is ook op deze grond niet toewijsbaar.

 

Met Reaal is het hof, gelet op de aard en ernst van de toerekenbare tekortkoming, daarnaast van oordeel dat gebondenheid aan de overeenkomst niet meer van Reaal kon worden gevergd en dat Reaal gerechtigd was de verzekeringsovereenkomst met [geïntimeerde] (tussentijds) op te zeggen op de voet van art. 7:940 lid 3 BW. Het hof acht voldoende aannemelijk dat door deze tekortkoming sprake was van een ernstige vertrouwensbreuk. De vordering tot ongedaanmaking van deze opzegging, moet dan ook worden afgewezen.

 

Verder is het hof van oordeel dat Reaal, in overeenstemming met art. 5.2.1 van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem financiële instellingen, gerechtigd was om de gegeven van [geïntimeerde] aan de Stichting CIS door te geven ten behoeve van de incidentenregisters. De genomen maatregel is, gelet op de aard en ernst van de betrokken onware opgave omtrent de aanrijding, tevens als proportioneel te beschouwen (mede in de zin van art. 5.1.1 onder c van het Protocol). De vordering van [geïntimeerde] tot ongedaanmaking van deze melding kan dan ook evenmin slagen.

 

De conclusie is dat de grieven slagen en dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd. Hetgeen [geïntimeerde] verder nog heeft aangevoerd stuit af op al het voorgaande en behoeft geen afzonderlijke behandeling. De vordering van [geïntimeerde] zal alsnog volledig worden afgewezen en [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties, inclusief de nakosten als gevorderd. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Autoschade Autoschade
Justitia Justitia