VERKEERSONGEVAL - RECHTSBIJSTANDKOSTEN

LETSELSCHADE - NO-CURE-NO-PAY

Gedaagde is op 8 juli 2012 betrokken geweest bij een verkeersongeval op de Parkweg te Enschede. Zij is daarbij van achteren aangereden door de heer X, die in het kader van de WAM verzekerd is bij ASR. 

ASR heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval op 26 juli 2012 erkend. 

Gedaagde heeft zich in haar letselschadezaak laten bijstaan door de volgende partijen: 
- vanaf 10 juli 2012 door Letselschadebureau Drost; 
- vanaf 7 augustus 2012 door Kilic Letselschade; 
- vanaf 13 februari 2013 door advocaat mr. E. Tas; 
- vanaf 19 februari 2014 door Camps; 
- vanaf 12 juli 2017 door Letselscbade Groep Nederland (Stichting Letselschade Twente- Rotterdam). 

Op 15 oktober 2015 hebben Camps en gedaagde een overeenkomst op basis van een resultaatsgerichte beloning gesloten, waarin onder meer de volgende bepalingen zijn opgenomen: 

 

Resultaatgerelateerde beloning 

De resultaatgerelateerde beloning houdt het volgende in: 
a. De advocaat zal aan de cliënt niets in rekening brengen als geen financieel resultaat wordt verkregen. Totdat financieel resultaat wordt verkregen komen de specifieke kosten voor rekening van de advocaat.
b. Als financieel resultaat wordt verkregen wordt het gebruikelijke uurtarief, het honorarium van de advocaat berekende volgens ASP maatstaven (zie kopie) echter tot ten hoogste 35% van het financiële resultaat; 
c. Het gebruikelijke uurtarief van de advocaat bedraagt € 235, 00. Het uurtarief op basis van de verhoging in de zin van artikel 5 onder b is dus conform ASP maatstaven afhankelijk van de hoogte van de uit te keren schadevergoeding. 
d. Als financieel resultaat wordt verkregen komen de specifieke kosten alsnog voor rekening van de cliënt. Het totaal van de door de advocaat aan de cliënt in rekening te brengen specifieke kosten mag nooit hoger zijn dan het financieel resultaat. 

(...)

f De advocaat spant zich ervoor in dat de wederpartij de kosten zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek zoveel mogelijk vergoedt. 

 

Machtiging ontvangen van gelden 
De cliënte verstrekt de advocaat hierbij voor de duur van de overeenkomst een opdracht tot incasso van elke betaling door of namens de wederpartij (daaronder begrepen een tussentijdse betaling) waarbij de advocaat gemachtigd is het financiële resultaat op een bankrekening van de aan zijn kantoor verbonden Stichting Derdengelden te doen bijschrijven. De advocaat is gerechtigd om het hem krachtens deze overeenkomst toekomende te doen betalen uit de door genoemde Stichting Derdengelden van de wederpartij ontvangen bedragen en om aan de Stichting Derdengelden opdracht te verlenen om het aan de advocaat toekomende te betalen, met inachtneming van het bepaalde in artikelen 5 en 6. De cliënt zal afzien van het incasseren bij de wederpartij van enig bedrag (waaronder tussentijdse betalingen door de wederpartij) en dit zo nodig, op eerste verzoek van de advocaat, schriftelijk of digitaal aan de wederpartij kenbaar maken. 
Als de cliënte de velplichtingen in artikel 7 Sub a niet nakomt, dan levert dat een gewichtige reden op als bedoeld in artikel 10 sub a. 

 

Tussentijdse beëindiging opdracht 
Partijen kunnen de overeenkomst schriftelijk of digitaal opzeggen. Voor de advocaat geldt dat hij dat slechts om gewichtige redenen kan doen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht moet nemen. 
Als de overeenkomst door de cliënt tussentijds wordt opgezegd en een redelijke vooruitzicht bestaat op het bereiken van een financieel resultaat in de zin van artikel 1 onder a, vindt vergoeding van het honorarium en door de advocaat betaalde specifieke kosten aan de advocaat plaats op de in artikel 5 aangegeven wijze, zodra dit financiële resultaat is bereikt. De cliënt zal het honorarium en de door de advocaat betaalde specifieke kosten binnen veertien dagen nadat de cliënt het financiële resultaat heeft ontvangen, aan de advocaat voldoen. De cliënte verplicht zich de advocaat op de hoogte te houden van de vorderingen in zijn letselschade -of overlijdensschadezaak. 
Als de overeenkomst door de cliënt tussentijds wordt opgezegd en er op dat moment geen redelijk vooruitzicht bestaat op het bereiken van een financieel resultaat in de zin van artikel 1 onder a en artikel 10 onder b, dan zal de cliënt de advocaat op het moment dat alsnog financieel resultaat wordt behaald, honoreren op basis van het gebruikelijke uurtarief vermenigvuldigd met het aantal door de advocaat gewerkte uren en vermeerderd niet de door de advocaat gemaakte specifieke kosten. De cliënt moet in dit geval a!leen dan aan de advocaat betalen als na beëindiging door de cliënt een financieel resultaat wordt behaald van minimaal € 2.500, --. Wanneer onherroepelijk vaststaal dat geen financieel resultaat meer kan worden behaald, dan is de cliënt aan de advocaat niets verschuldigd. De cliënt zal de op basis van dit artikel te betalen vergoeding aan de advocaat voldoen binnen twee weken nadat de cliënt het financiële resultaat heeft ontvangen. Cliënt verplicht zich de advocaat op de hoogte te houden van de vorderingen in zijn letselschade -of overlijdenschadezaak. 

 

Tussentijdse overdracht aan een andere belangenbehartiger 
Als tussentijds overdracht van de zaak plaatsvindt aan een opvolgende belangenbehartiger is de cliënt/opdrachtgever verplicht de opvolgende belangenbehartiger te wijzen op de inhoud van deze overeenkomst en de daaruit voortvloeiende (financiële) gevolgen ... Bij beschikking van 11 april 2016 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Almelo, op verzoek van gedaagde een deskundigenonderzoek bevolen en psychiater W.H.J. Mutsaers te Haren (hierna: de deskundige) tot deskundige benoemd. De deskundige heeft onder andere het volgende gerapporteerd: 
”Samenvattend zegt onderzochte een veelheid van lichamelijke en psychische klachten te hebben inclusief vele en ernstige beperkingen in haar dagelijkse activiteiten en verplichtingen die het directe gevolg zijn van het ongeval in juli 2012 en wel zodanig dat ze ernstig beperkt en gehandicapt is en veel zorgsteun nodig heeft. Ze zegt dat ze voordien een goed functionerend iemand was die actief in het leven stond. 
In mijn onderzoek is gebleken dat onderzochte vrijwel vanaf het moment dat ze in 2009 in Nederland kwam zeer moeizaam functioneerde en als gevolg van allerlei somatofarme en angstklachten en -verschijnselen haar huisarts zeer frekwent consulteerde. 
Ik heb in mijn onderzoek geen duidelijke aanwijzingen gevonden voor de veronderstelling, dat haar algehele geestelijke toestand door het ongeval in 2012 substantieel is verslechterd... ”

Op 26 juli 2017 hebben gedaagde en ASR een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij zij een door ASR te betalen schikkingsbedrag van € 5.000,-, minus reeds betaalde voorschotten van € 2.000,-, zijn overeengekomen. ASR heeft aan gedaagde een slotuitkering gedaan van € 3.000,-. De kosten buiten rechte zijn vastgesteld op € 846,52 en zijn door ASR betaald aan Stichting Letselschade Twente Rotterdam. ASR en gedaagde hebben elkaar over en weer finale kwijting verleend. 

 

De vordering 
Camps vordert- samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: 
I. te verklaren voor recht dat ASR op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gehouden is de redelijke kosten van Camps voor de behandeling van de letselschadezaak van gedaagde ten bedrage van € 7.121,04, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te betalen, 
2. ASR te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over alle openstaande nota’s vanaf 14 dagen na de factuurdatum. althans een in goede justitie te bepalen datum, 
3. ASR te veroordelen in de proceskosten alsmede de nakosten, vermeerderd met rente. 

Camps legt - samengevat - aan zijn vordering ten grondslag dat hij vanaf 19 februari 2014 tot eind augustus 2017 de letselschadezaak van gedaagde heeft behandeld en heeft besproken met zijn medicus Triage. Triage factureerde haar kosten aan Camps en Camps factureerde zijn kosten en die van Triage aan ASR. Camps stelt 28 uur aan de zaak te hebben besteed tegen een uurtarief van € 230,-, exclusief BTW en verschotten. De kosten van Triage bedragen € 2.598,17. Op grond van artikel 6:96 BW, artikel 6: 162 BW, artikel 19 RVV en de door Camps met gedaagde gesloten contracten is ASR, die de aansprakelijkheid voor het ongeval van gedaagde  heeft erkend, voor deze kosten aansprakelijk. De kosten doorstaan volgens Camps de dubbele redelijkheidstoets. ASR heeft een bedrag van € 1.219,75 aan Camps betaald, maar laat een restantbedrag van € 7.121,04, ondanks betalingsverzoeken en sommaties, onbetaald. 

 

Het verweer 
ASR concludeert - samengevat - tot afwijzing van de vorderingen van Camps, met veroordeling van Camps in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten van ASR. Gedaagde heeft volgens ASR haar klachten van meet af aan overdreven, wat door de deskundige is bevestigd. ASR is desondanks bereid geweest om, toen Camps nog optrad als gemachtigde van gedaagde, in het kader van een schikking de totale schade van gedaagde te waarderen op een bedrag van € 5.000,- (waarvan na aftrek van reeds betaalde voorschotten van € 2.000,- nog € 3.000,- aan gedaagde zou worden betaald) en aan Camps wegens gemaakte kosten voor rechtsbijstand een bedrag van € 2.662,- te voldoen. Dit schikkingsvoorstel is niet (tijdig) aanvaard en derhalve komen te vervallen. Op 4 mei 2017 zijn de onderhandelingen door ASR formeel afgebroken. 
Vervolgens is op 24 juli 2017, toen Letselschade Groep Nederland als gemachtigde van gedaagde optrad, alsnog een schikking van € 5.000,- minus reeds betaalde voorschotten van € 2.000,- tot stand gekomen, op grond waarvan door ASR € 3.000,- aan gedaagde en € 846,- aan kosten voor rechtsbijstand aan Letselschade Groep Nederland is betaald. Nadat Camps niet meer optrad als advocaat van gedaagde, heeft hij zich gewend tot ASR om zijn kosten vergoed te krijgen. Volgens ASR bestaat er op grond van artikel 6:96 BW geen eigen vorderingsrecht van Camps op ASR, omdat het hier gaat om een schadepost van gedaagde. Camps heeft mogelijk een vordering uit overeenkomst op gedaagde 2, maar alleen gedaagde kan een vordering jegens ASR instellen voor de kosten van rechtsbijstand als schadepost op grond van artikel 6:96 BW. Subsidiair stelt ASR zich op het standpunt dat de vordering beperkt zou moeten zijn tot € 1.050,-, zijnde 35% van € 3.000,-. Camps is immers met gedaagde een no cure no pay-overeenkomst aangegaan, waarbij is overeengekomen dat hem 35% van het uiteindelijke schadebedrag zou toekomen. ASR stelt door Camps, die zelf advocaat is, evident zonder rechtsgrond in deze procedure te zijn betrokken. Hierdoor is er sprake van misbruik van procesrecht en vordert ASR vergoeding van de daadwerkelijk door haar gemaakte proceskosten. 

 

De vordering 
Camps vordert - samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: 
1. gedaagde op basis van het gesloten no cure no pay-contract te veroordelen om aan Camps te betalen een bedrag van € 1.750,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, 
2. gedaagde te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over alle openstaande nota’s vanaf 14 dagen na de factuurdatum, althans een in goede justitie te bepalen datum, 
3. gedaagde  te veroordelen in de proceskosten alsmede de nakosten, vermeerderd met rente. 

Camps legt - samengevat - aan zijn vordering ten grondslag dat hij in overleg met de Nederlandse Orde van Advocaten met gedaagde een no cure no pay-overeenkornst heeft gesloten, waarbij is afgesproken dat hij 35% over de opbrengst van de zaak zou ontvangen. Nadat de causaliteitsdiscussie in het nadeel van gedaagde uitviel, heeft Camps haar geadviseerd het schikkingsvoorstel van ASR van € 5.000,- te accepteren. gedaagde heeft dat niet gedaan en is overgestapt naar Letselschade Groep Nederland, waarna zij een schikking van € 3.846,- heeft geaccepteerd, zonder rekening te houden met de door Camps gemaakte kosten, terwijl Camps daar wel om heeft verzocht. Camps vordert uit hoofde van de no cure no pay- overeenkomst 35% van € 5.000,- van gedaagde, zijnde € 1.750,-. 

 

Het verweer 
Gedaagde voert - samengevat- als verweer aan dat de door Camps berekende kosten niet in verhouding staan tot de verrichte werkzaamheden. Partijen zijn overeengekomen dat gedaagde 15% over het uit te keren schadebedrag aan Camps zou betalen. Camps heeft haar voorgehouden dat zij kon rekenen op een schadebedrag van € 80.000,- tot € 100.000,-, terwijl gedaagde uiteindelijk maar € 5.000,- heeft ontvangen. Camps was niet bereid om de zaak verder te behandelen. Hierdoor heeft gedaagde een andere letselschadeadvocaat moeten inschakelen. Gedaagde betwist kosten aan Camps verschuldigd te zijn. De gemaakte afspraken zijn niet nagekomen en het werk is niet afgerond. Gedaagde stelt dat ASR de kosten van Camps dient te betalen. 

 

De beoordeling in de zaak tegen ASR 

De eerste vraag die in deze zaak voorligt, is of ASR op grond van artikel 6:96 BW gehouden is de kosten die Camps voor de behandeling van de letselschadezaak van gedaagde heeft gemaakt aan Camps te vergoeden. 

Tussen partijen is niet in geschil dat Camps per 12 juli 2017 niet meer optreedt als advocaat/gemachtigde van gedaagde. De overeenkomst tussen Camps en gedaagde is op die datum geëindigd, doordat gedaagde is overgestapt naar Letselschade Groep Nederland, die vanaf dat moment de letselschadezaak van gedaagde verder heeft behandeld. 

Met ASR is de kantonrechter van oordeel dat artikel 6:96 BW, op grond waarvan een vordering tot vergoeding van vermogensschade kan worden ingesteld, niet kan dienen als grondslag voor de onderhavige vordering van Camps, die strekt tot vergoeding van door hem gemaakte kosten voor het verlenen van rechtsbijstand aan gedaagde. Tussen Camps, als voormalig advocaat van gedaagde, en ASR bestaat immers geen rechtsverhouding. Het is gedaagde die is aangereden door de verzekerde van ASR. Doordat ASR de aansprakelijkheid voor dit ongeval heeft erkend, is er een rechtsverhouding tussen gedaagde en ASR ontstaan, op grond waarvan gedaagde vergoeding van de door haar geleden schade als gevolg van het ongeval kan vorderen van ASR. Gedaagde kan een derde opdracht geven om namens haar ASR aan te spreken om de door haar geleden schade te vergoeden. Op 19 februari 2014 heeft zij een dergelijke opdracht aan Camps verstrekt. Dit heeft echter niet tot gevolg dat Camps, die tussen 19 februari 2014 en 12 juli 2017 optrad als advocaat van gedaagde, een eigen vorderingsrecht heeft op ASR. 

Het voorgaande zou anders kunnen liggen, indien gedaagde haar vordering op ASR zou hebben overgedragen (gecedeerd) aan Camps. Gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is. Bovendien heeft gedaagde sinds 26 juli 2017, als gevolg van de met ASR getroffen schikking, geen vordering meer op ASR, omdat gedaagde en ASR elkaar finale kwijting hebben verleend. 

Camps heeft weliswaar aangevoerd dat hij op 3 rnaart 2014 met gedaagde een privatieve lastgevingsovereenkomst ex artikel 7:423 BW heeft gesloten (productie 13 bij conclusie van repliek), echter houdt dit geen overdracht van een vorderingsrecht in. De betreffende lastgeving geldt tussen gedaagde en Camps. ASR is daarbij geen partij. De lastgeving behelst een door gedaagde aan Camps gegeven opdracht. Een dergelijk stuk geeft aan een derde geen rechten en/of plichten. 

Een grondslag voor de vorderingen van Camps op ASR kan derhalve niet gevonden worden in artikel 6:96 BW noch in de door Camps met gedaagde gesloten overeenkomsten. Camps heeft in zijn conclusie van repliek nog aangevoerd dat zijn vorderingen op ASR (mede) zijn gegrond op artikel 6: 162 BW en artikel 19 RVV. Camps heeft echter nagelaten die stelling op enigerlei wijze te onderbouwen. De kantonrechter zal hier dan ook aan voorbij gaan. 

 

De conclusie luidt dat de vorderingen jegens ASR dienen te worden afgewezen. 

Camps zal, als de partij die in het ongelijk wordt gesteld, worden veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van ASR tot op heden worden begroot op € 500,- aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 250,-). De kantonrechter ziet in het door ASR gestelde geen aanleiding om Camps in de daadwerkelijk door ASR gemaakte proceskosten te veroordelen. Die kosten zijn door ASR ook niet gespecificeerd en onderbouwd. 

Camps heeft zijn vordering op gedaagde gegrond op de op 15 oktober 2015 met gedaagde 2 gesloten overeenkomst, waarin hij met gedaagde een resultaatsgerichte beloning is overeengekomen. Gedaagde heeft niet betwist dat een resultaatsgerichte beloning is overeenkomen. In haar conclusie van antwoord stelt zij echter dat een percentage van 15% is overeengekomen, terwijl in de door Camps in het geding gebrachte overeenkomst een percentage van 35% vermeld staat. Omdat gedaagde de (verdere inhoud van de) overeenkomt als zodanig niet heeft bestreden en haar stelling, dat een percentage van 15% over het uit te keren schadebedrag zou zijn overeengekomen niet heeft onderbouwd, gaat de kantonrechter ervan uit dat Camps en gedaagde zijn overeengekomen wat in de overeenkomst van 15 oktober 2015 staat vermeld. 

Vaststaat dat gedaagde op 26 juli 2017 een schikking met ASR heeft getroffen, waarbij het totale door ASR aan haar uit te keren schadebedrag is vastgesteld op € 5.000,-. Uitgaande van een percentage van 35%, zou dat neerkomen op een kostenvergoeding aan Camps van€ 1.750,-. Weliswaar trad Camps ten tijde van het treffen van deze schikking niet meer op als advocaat van gedaagde, echter zijn partijen in artikel 10 onder b van de overeenkomst overeengekomen, dat wanneer de overeenkomst tussentijds door gedaagde wordt opgezegd, terwijl een redelijk vooruitzicht bestaat op het bereiken van een financieel resultaat, en dat financiële resultaat vervolgens wordt behaald, er vergoeding van het honorarium van Camps plaatsvindt op de in artikel 5 van de overeenkomst aangegeven wijze. 

Gedaagde is op 12 juli 2017 overgestapt naar Letselschade Groep Nederland. Veertien dagen later is de hiervoor genoemde schikking met ASR getroffen. Dit rechtvaardigt naar het oordeel van de kantonrechter de conclusie dat er op het moment dat gedaagde de overeenkomst met Camps beëindigde, een redelijk vooruitzicht bestond op het bereiken van een financieel resultaat in haar letselschadezaak. Kort voordat gedaagde de overeenkomst met Camps beëindigde was er door ASR ook al een schikkingsvoorstel gedaan, wat gedaagde toen kennelijk niet, maar na haar overstap naar Letselschade Groep Nederland wel heeft willen accepteren. 

De conclusie luidt dan ook dat gedaagde op grond van de op 15 oktober 2015 met Camps gesloten overeenkomst een bedrag van € 1.750,- aan Camps verschuldigd is. Camps heeft gedaagde (via Letselschade Groep Nederland) daar na het beëindigen van de overeenkomst en voordat zij een schikking trof met ASR ook op gewezen, zo volgt uit de mailwisseling die als productie 11 bij conclusie van repliek is overgelegd. Gedaagde heeft derhalve de gelegenheid gehad om, toen zij een schikking trof met ASR, rekening te houden met de aan Camps verschuldigde kosten. Dat dit uiteindelijk niet is gebeurd lijkt voort te komen uit een verschil van mening tussen Camps en Letselschade Groep Nederland over het onderling overnemen van zaken, gelet op de mailwisseling die als productie 13 bij conclusie van repliek is overgelegd. Dit laat echter onverlet dat gedaagde uit hoofde van de met Camps gesloten overeenkomst voornoemde kosten aan Carnps verschuldigd is. 

Gedaagde heeft nog aangevoerd dat Camps haar een schadebedrag van € 80.000,- tot € 100.000,- heeft voorgespiegeld, wat door Camps gemotiveerd is betwist. Gedaagde heeft nagelaten haar verweer te onderbouwen, zodat de kantonrechter hieraan voorbij zal gaan. 

De kantonrechter gaat ook voorbij aan het verweer van gedaagde dat Camps de letselschadezaak van gedaagde niet verder wilde behandelen, althans de werkzaamheden niet heeft afgerond, omdat het gedaagde is geweest die per 12 juli 2017 is overgestapt naar Letselschade Groep Nederland. Mogelijk is die overstap voortgekomen uit het advies van Camps om het schikkingsvoorstel van ASR te accepteren, maar dat advies was, gelet op het voor de positie van gedaagde nadelige deskundigenrapport, niet onbegrijpelijk en bovendien heeft gedaagde veertien dagen na de overstap alsnog een schikking met ASR getroffen, met een voor haar gelijk resultaat. Voor zover gedaagde heeft willen stellen dat Camps tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens haar, volgt de kantonrechter haar daarin niet. 

De stelling van gedaagde dat de kosten van Camps niet in verhouding staan tot de door hem verrichte werkzaamheden wordt eveneens gepasseerd, omdat Camps en gedaagde een resultaatsafhankelijke beloning zijn overeengekomen. Een kostenvergoeding van € 1.750,- staat naar het oordeel van de kantonrechter overigens niet in scheve verhouding tot het behandelen van een letselschadezaak gedurende een periode van meerdere jaren, waarin onder meer een medicus is ingeschakeld, een verzoekschriftprocedure ter zake een voorlopig deskundigenbericht is gevoerd en de nodige correspondentie is gevoerd met gedaagde en ASR. 

De door Camps gevorderde hoofdsom van € 1.750,- is gelet op het voorgaande toewijsbaar, met inachtneming van het volgende. Door Camps is zowel in de dagvaarding als in de conclusie van repliek de steiling ingenomen dat hij reeds een bedrag van € 1.219,75 van ASR heeft ontvangen. Om te kunnen beoordelen of dit bedrag in mindering dient te strekken op de van gedaagde gevorderde hoofdsom van € 1.750,-, is nadere informatieverstrekking over deze betaling noodzakelijk, mede omdat tussen Camps en gedaagde kennelijk een andere overeenkomst heeft bestaan voordat zij op 15 oktober 2015 een overeenkomst op basis van een resultaatsgerichte beloning hebben gesloten. Van die eerdere overeenkomst is door Camps alleen het voorblad in het geding gebracht (productie 4 bij dagvaarding). Het is de kantonrechter daarom niet duidelijk welke afspraken er tussen partijen golden voor 15 oktober 2015. Camps zal in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te laten over de datum waarop hij het betreffende bedrag van ASR ontvangen heeft en of dit bedrag volgens hem in mindering dient te strekken op de vordering jegens gedaagde (zo ja, waarom wel en zo nee, waarom niet). gedaagde zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om een antwoordakte te nemen. 

Iedere verdere beslissing in de zaak tegen gedaagde zal worden aangehouden. 

 

De beslissing - De kantonrechter - In de zaak tegen ASR 

wijst de vorderingen af

veroordeelt Camps in de proceskosten, aan de zijde van ASR tot op heden begroot op € 500,- aan salaris gemachtigde,

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, 

verwijst de zaak naar de rolzitting van 7 augustus 2018 voor het nemen van een akte uitlaten aan de zijde van Camps over wat in rechtsoverweging 4.16. van dit vonnis is overwogen, waarna gedaagde in de gelegenheid wordt gesteld om op de rolzitting van 21 augustus 2018 een antwoordakte te nemen, en bepaalt dat hiervoor geen uitstel zal worden verleend, 

 

 

 

 

 

 

Autoschade Autoschade
Justitia Justitia